Hoofdstuk 1
Volg @woordvoer op instagram om op de hoogte te zijn van nieuwe verhalen of stuur een om op de mailinglijst te komen.

‘Er was eens…’
Een veelbelovend begin. Wacht, dat klopt niet. Dier dacht even na. We zijn er nog, het is nog niet voorbij. Ze streepte ‘was eens’ door en schreef met grote letters: ‘er is een kind en dat ben jij.’ Tevreden zette ze een punt achter de zin en begon de rest van het verhaal:
‘Misschien ben je zes, misschien zestien of 106. Hier ben je dan. Ik hoop dat je lekker zit of ligt. Ren een rondje rond degene die vertelt en haal eens diep adem. Mijn eerste verhaal gaat over Weermoed. Weermoed lijkt meestal een beetje op een vleermuis met een uilenkop. Ze heeft grote, gele ogen en kan achter zich kijken zonder haar lichaam te draaien. Dat heb ik wel geweten. De eerste keer dat ik haar zag, sloop ik achter haar aan. Ik verborg me de ene keer achter een boom, dan weer achter een lantarenpaal. Geluidloos reisde ik met haar mee, tot ik mijn kans zag en een greep naar haar bungelende tas deed. Dit was uiteraard toen ik nog een dief was. Een hele goede dief, al zeg ik het zelf. Ik gleed en danste een menigte in en kwam er aan de andere kant onopgemerkt en zwaar van andermans spullen weer uit, waarna ik simpelweg verdween. Dat kan ik ook goed. Net als afleiden.
Weet je nog waar we waren? Met mijn klauwen in de tas van Weermoed-met-de-gele-ogen. Zo stil als de nacht stond ik achter haar. Zo stil en vlot als een druppel regen richting de aarde draaide haar hoofd en keek ze me aan. Alles ging plots sneller dan ik kon denken. Met een paar slagen van haar vleugels hadden we de grond verlaten en werd de wereld kleiner en kleiner. Ik bungelde aan haar tas en zij keek mij al vliegend recht aan. Haar ogen lachten. Die ogen die geel waren, maar onder de sterren waren ze goudgroen en glitterend, zoals een beekje in de zon. Onder ons gleed mijn stad aan me voorbij. Huizen, bomen, huizen in bomen – mijn thuis is een kind van oude stenen straten en een bos met nog oudere bomen die soms door de huizen heen groeiden. Gelukkig had ik geen hoogtevrees, maar ik werd wel moe. Ik hoopte vurig dat ze me niet voor straf zou laten vallen. Ze had nog steeds niets gezegd.
Plots doken we naar beneden, steeds sneller en sneller. Ik voelde valkriebels door mijn buik gieren, maar ik was niet bang. Ik hou van vallen. Met wapperende veren en haren vlogen we pardoes door een waterval, waarachter een grot bleek te zijn met overal diepgroen mos, druipende stenen en schaduwen waar ik niet in kon kijken. Ze liet los. Hijgend en uitgelaten rolde ik over de grond tot ik tot stilstand kwam. Toen ik opkeek was ik alleen met het klaterende water en het zachte groene mos. Dat was de eerste keer dat ik Weermoed zag, al wist ik haar naam nog niet. Ik had mijn klauw nog steeds om iets uit haar tas geklemd. Een brief. Een brief aan Weermoed.’
Zo eindigt het eerste deel van het verhaal van mij, Dier. Voor nu laten we haar achter in de schaduwgrot onder de waterval, waar ze in het licht van de maan de brief leest – en lacht.