Hoofdstuk 6

Vlak voordat ik mijn pen weer op papier wil zetten, realiseer ik me hoe donker het is geworden. Bijna alle kaarsen zijn uit – een dikke kaars, druipend van kaarsvet geeft me nog een indruk van de wereld om me heen. In mijn haast om de kaarsen te verversen, sta ik te snel op en plots is het donker. Die kleine beweging creëerde genoeg wind om de vlam te overmeesteren. Het laatste levende puntje licht verdwijnt. De schaduwen doven – alleen het licht van dat kleine beetje maan toont de dunne strook rook die lui danst boven de lont. Dan doorkruist een vonk het kronkelende lint en volgt het naar beneden. Lager en lager tot het lichtje het zwarte uiteinde van de lont raakt en ontsteekt. De vlam danst alsof er geen donker was en komt dan tot rust. Een vonk en een warm onthaal.
‘Skadwa stond voor me. De Schaduwlegende die niemand kende, al wist iedereen dat Skadwa ging waar Skado stond. Hen was breder en groter dan Skado en zag er ouder uit. Een litteken liep van hun schouder naar hun rug. De lange zilveren lijn was allesbehalve vloeiend – de gekartelde randen gaven de indruk van een rommelig herstel. Waar Skado’s uiterlijk veranderde naar gelang zijn gemoedstoestand, zo leek ook Skadwa niets te verhullen. Ik keek hen aan terwijl die stil en onverbiddelijk naar ons toe stapte. Hun ogen vielen op de mijne. Flakkerende vlammen. Een oranjegele gloed bewoog door hun irissen en ik was gehypnotiseerd en verloren in de flakkeringen van wat er daar ook aan het branden was.
Ik hoorde geen stem of uitleg, alleen het suizen van goed vuur. Een aangename warmte stilde mijn gedachten. Zoals spieren ontspannen als ze na een barre tocht naast het kampvuur mogen opwarmen, zo vergat ik de angst van het huis. Skadwa opende hun mond weer en ik hoorde dit keer een stem die krakelde en siste als brandend hout. Skadwa was door een lang leven getekend en droeg de jaren als een mantel tussen zichzelf en de wereld. Dit was iemand die me zou beschermen tegen de stemmen uit het donker. De stemmen in de muren van het huis. Ze zouden branden. Verlangend naar de geborgenheid en de warmte die werd geboden, liep ik Skadwa tegemoet. Uit mijn ooghoek zag ik Weermoed het huis ingaan en ik voelde Skado onbewogen op zijn plek. Hoe dichter ik bij Skadwa kwam, hoe weldadiger de warmte in mijn hoofd. Met elke stap verspreidde het zich verder door mijn lichaam heen. Als laatste arriveerde het bij mijn rug. Iets hield me tegen en ik stopte, maar Skadwa’s vuur fluisterde me dichterbij. Allebei zetten we nog een stap en ik begon te zweten. De oranjegele ogen werden feller, witheet en waar mijn vleugels begonnen, stak de hitte op twee plekken mijn rug in. ‘Stop.’ siste hen. Hen keek me aan, hield hun hoofd schuin. ‘Familie.’ knisperde hun stem. De ogen waren gloeiende sintels. Onder controle. Ontvlambaar. Schokkerig draaide hun hoofd naar het huis. ‘Verrader. Vrienden.’ Skadwa keek even terug mij en toen resoluut weer naar het huis en was weg.
Plots was de warmte verdwenen en de koelte van de ochtend kwam als een opluchting. Ik haalde diep adem, me er niet van bewust dat ik die ingehouden had. Met schokkende schouders keek ik om en zag niemand. Toen ik nog eens goed keek, zag ik een van de schaduwen van een hoge den bewegen. Skado liep naar me toe. Zijn ogen schoten van de weglopende Skadwa weer terug naar mij. Ik stond nog steeds half naar hem toegedraaid en probeerde mijn ademhaling onder controle te krijgen. Met het op en neergaan van mijn schouders wiegden mijn vleugels schokkerig mee. Skado stak zijn hand naar ze uit.
Mijn vleugels. Er was geen veer te bekennen. Ze waren niet donker met blauwgroene aderen (zoals het duister in een grot), zoals die van Skado. Evenmin het kolenzwart met gloeiende lijnen van Skadwa. Mijn twee vleugels waren niet eens hetzelfde. Ik keek naar links. Een grijze, zachte massa deinde in de lucht. Een wollige opeenhoping van spinnenwebben met hier en daar stukjes zachtgroen mos en kleine twijgjes, veel meer hier dan de vleugels van Skadwa en Skado. Meer zoals Weermoed, met haar uilenvleugels. Mijn ogen schoten naar rechts. Hier geen zacht golvende zijde. Mijn rechtervleugel was een waterval. Dat kan niet, maar toch zag ik een glasachtig ledemaat dat stroomde. Er hing een klein beekje aan mijn rug. Zo nu en dan verschenen er kringen, alsof er een steentje in was gegooid.
“Dat is… nieuw.”
Skado liet zijn hand over de spinnenwebben glijden. Ik voelde niets, maar trok instinctief weg van zijn gebaar.
“Sorry, dat was ongevraagd.” zei hij zachtjes. Zijn eigen vleugels ritselden en leken echter dan ooit.
Ik draaide me eindelijk volledig naar hem toe.
“Wat gebeurt er met me?” Ik voelde een traan uit mijn oog ontsnappen. Raar. Ik wilde toch een avontuur?
“Oh, Dier,” hij keek me met zachtgroene ogen aan, “dit is Skadwa’s nabijheid. Ik breng je weg als je dat wilt, dit hoeft niet jouw verhaal te zijn. Je vleugels zullen niet meer zo aanwezig zijn en misschien vergeet je ze zelfs. Ik hoopte dat je me de weg zou kunnen wijzen in je oude huis, maar dat hoeft niet. Ik ga het huis in, want Weermoed en Wed hebben geen idee wat ze te wachten staat met Skadwa. Hen probeert ons te helpen, maar ik ben bang dat hen vergeten is dat wat we zijn en wat we willen niet altijd op een lijn ligt.”
Ik bleef stil. En toen:
“Wat is er in ons huis naast stof en fluisterende muren? Het is nooit een warm nest geweest. Je weet wat de bomen doen.”
Ik dacht aan de brief van Wed aan Weermoed.
Het is een mooi geheim en ik hou nou eenmaal van mooie dingen. Als de ekster die ik ben, weet je dat je het in mijn nest kan vinden. Hopelijk zie ik je daar.
Was Wed in het houten huis gaan wonen? Wist Weermoed van de vleugels?
Skado keek berekenend toe terwijl de invloed van het huis weer grip op me begon te krijgen. Hij keek even weg, zuchtte en onderbrak mijn gedachten: “Er is iets te vinden in het huis en het heeft te maken met onze geschiedenis. Weermoed is een wezen, zoals velen hier, dat is geboren met levende vleugels. Heel lang geleden waren er kale wezens met ledematen, ze stonden rechtop en trots, maar vliegen konden ze niet. Tot ze machines maakten die dat wel konden. Zo leerden ze elkaar kennen – elkaar en de wereld. Maar het maakte de wereld kapot. Zij maakten de wereld kapot. Stukje bij beetje nam de wereld het vermogen om te vliegen af, tot iedereen weer tot de paar vierkante kilometers waar ze geboren waren veroordeeld waren. Zonder elkaar bleven er niet veel van deze wezens over. Wij noemen ze nu de Anafallan. Weermoed is voortgekomen uit de wezens die geleerd hadden van hun buren en hun lichaam begreep dat ze lange afstanden moesten kunnen reizen om elkaar te kunnen blijven zien.”
De woorden bereikten mijn oren via een slingerende omweg. Ik begreep niet alles wat hij zei, maar zijn zachte stem kalmeerde me en vond zijn weg door het suizen in mijn oren. Ik hoorde nog steeds het kraken van Skadwa’s vuur.
“Dier, je bent een geweldige dief en avonturier.”
“Weet ik,” zei ik. Ik voelde me weer terug in mezelf zakken. Ik wist niet veel, maar wel wie en wat ik was.
Skado’s ogen waren weer het lichte groen van zonlicht door bladeren en ze keken me aan. Hij ging verder: “Je bent ook een afstammeling van de Anafallan. Net als Skadwa en net als ik. Wij hebben geen levende vleugels. De Anafallan wisten niet dat ze konden vliegen en sommigen, zoals Skadwa, denken dat dit maar beter is. Anderen geloven het tegenovergestelde; dat er nu meer van hen zouden zijn, en gelukkiger, als ze het hadden geweten.”
“Oké,” zei ik, hopende dat dat het goede antwoord was. Op een gegeven moment zou hij wel zijn punt maken, voor nu begreep ik er niets van en dat vond ik prima.
Skado’s blik gleed van mijn afwezige ogen naar het houten huis. Ik voelde dat hij Skadwa naar binnen wilde volgen, maar hij probeerde me ook te aarden. Ik had het hard nodig.
Vanuit het huis klonk een schreeuw en even zagen we vlammen uit het raam slaan, maar ze verdwenen snel en het huis was onbeschadigd. Skado rechtte zijn schouders en maakte aanstalten om naar het huis te lopen. Hij keek me aan en zijn ogen waren weer de kleur van donker hulst. Stekelig als de steen die ik stal. Hij leek een besluit genomen te hebben.
“Kies maar.”
Met die woorden draaide hij zich om en liep snel naar de voordeur. Vlak voor hij naar binnen ging, sprongen zijn vleugels tevoorschijn. In de schaduw van het huis glinsterden ze vervaarlijk. De blauwgroene aderen bewogen en stroomden zo snel dat ik er duizelig van werd. De vorm had meer weg van een vleermuis dan ooit. Het volgende moment was hij door het donkere gat van de voordeur verdwenen.
Ik zuchtte. Zijn woorden hadden meer vragen opgeroepen dan opgehelderd en ik wist eigenlijk nog steeds niet in wiens verhaal ik beland was. Aan de andere kant, ik had nooit moeite gehad om me met andermans verhaal (of spullen) te bemoeien en wie hield ik nou eigenlijk voor de gek? In geen 100 jaar kon ik me omdraaien en weglopen van avontuur. Onbewust hadden mijn ledematen me al voor de deur gedeponeerd. Ik keek nog een keer om naar het stille bos, het mos en luisterde naar het zachte ruisen van de bomen. Toen keerde ik me weer naar de open deur en stapte naar binnen.’