Wissel
Met een sneeuwstorm in haar hoofd loopt ze net te dicht langs de rand van het felverlichte perron. In de verte komen uit het donker de gele ogen van de trein snel dichterbij. Het wakkert vonkjes aan in haar buik. Ze voedt ze met een stap richting het spoor, haar blauwe ogen naar de machine gekeerd. Het voelt alsof ze het ijzeren gevaarte aankijkt terwijl het op haar afsnelt. Zonder haar blik af te wenden zet ze nog een stap, zoals een koorddanser zou doen – bedaard en zoekend naar tegendruk. Er verschijnt een scheve glimlach op haar gezicht als ze haar hart sneller voelt kloppen. Net als de vonken in haar buik vlammen worden, doemt achter het glas van de bok het gezicht van de machinist op. De trein is plots weer een trein en achter het raam zit iemand met een eigen leven die vast niet zit te wachten op krakende botten onder zijn wielen. De trein remt en vonken spatten van de rails. Om hem niet bang te maken stapt ze achteruit – over de zwart-witte tegels die een grens aangeven.
Haar schoenen krassen onaangenaam over het linoleum wanneer ze als enige het balkon binnenstapt. Ze rilt en tilt haar andere voet beter op om het geluid bij een volgende stap te voorkomen. De scherpe geur van koude perronstenen mengt zich met die van natte jassen en verschaald bier. Bij de trap naar boven heeft iemand laten weten wat die van een zekere voetbalclub vindt. Ze overweegt even om in de eerste klas te gaan zitten met haar tweedeklas pas, want die regels bestaan toch pas als iemand er iets van zegt. Maar ze ziet een conducteur en kiest voor de blauwe stoelen die voor haar bedoeld zijn. Voor ze gaat zitten voelt ze even of de vlek op de stoel vers is. De plek is hard en geeft niet af, dus ze installeert zich met haar capuchon zo ver mogelijk over haar gezicht getrokken. De lichten in de trein zijn te fel, ze kan niet naar buiten kijken. De wereld krimpt tot de grootte van de coupé. Soms flitst er een dorp voorbij. Ze stopt haar neus in haar sjaal en voelt de wol die door de handen van haar moeder is gegaan. Ze ruikt haar eigen huis, de vloer, een Indiase curry – alle plekken waar de sjaal geweest is. Ze leunt achterover en sluit haar ogen. Na een paar seconden opent ze die weer en vervloekt het witte licht aan het plafond, dat haar wakker houdt. Een paar stoelen verder klaagt iemand over de vertraging die hij gisteren opliep vanwege een aanrijding met een persoon.
‘Egoïsten. Doe dat ergens waar de rest er geen last van heeft.’
De vrouw kijkt naar haar spiegelbeeld in het raam.
‘… mevrouw?’ Een man in conducteurspak steekt zijn hand uit. De vrouw schrikt en beweegt zich ver van die hand vandaan, maar een moment later snapt ze wat zijn bedoeling is en overhandigt haar pasje. De man lacht, waarschijnlijk vriendelijk.
‘Slecht geweten?’
De vrouw lacht, hopelijk ook vriendelijk, om hem gerust te stellen na haar heftige reactie.
‘Ja, best wel,’ zegt ze, terwijl de adrenaline nog door haar aderen pompt en ze de neiging onderdrukt om de pas die haar toegestoken wordt weg te slaan. De conducteur haalt zijn schouders op.
‘Wie niet?’ Hij wenst haar een fijne avond en loopt zonder te sloffen van haar weg, waar ze hem in stilte voor bedankt. Ze probeert zichzelf af te leiden door haar koptelefoon op te zetten. Even later praten bekende stemmen van een podcast tegen haar aan en nemen geleidelijk de plek in van de tetteraars in haar hoofd die altijd het hetzelfde over-datum advies uitdelen.
Ren.
‘The humpback whale raised its fin out of the water and –’
Ren.
‘…listen to this, it lifted the helpless seal –’
Stel je niet aan, er –
‘…out of reach of the killer whales!’
‘Amazing.’
Het geluid helpt, maar haar nekharen staan nog steeds overeind en haar huid past haar niet – hij is te krap en staat zo strak dat ze alles voelt. Als een paar stoelen verder de punctuele klager weer zijn mond opentrekt, staat ze abrupt op en loopt de coupé uit. Ze marcheert het trapje af om naar het volgende treinstel te gaan, maar er is geen tussendeur – blijkbaar zijn er meerdere treinstellen aan elkaar gekoppeld en is ze bij een ongebruikte bestuurderscabine aangekomen. De twee conducteurs willen net de deur openen als ze de trap af komt. Ze zien haar verwarring. De jongste schudt zijn hoofd.
‘Tot hier en niet verder, mevrouw.’
‘Oh, sorry.’ Ze doet haar koptelefoon af en stopt die naast haar sleutelbos in haar jaszak. Ondanks haar ongemak, werpt ze een nieuwsgierige blik op de halfopen deur. De conducteurs kijken elkaar even aan en de oudere van de twee knikt met zijn hoofd in de richting van de cabine.
‘Wil je anders even hier rondkijken?’
Ze heeft een hand nog in haar jaszak en automatisch steekt ze haar vingers tussen de sleutels door, zodat er om en om een sleutel uit haar gebalde vuist steekt. Ze knikt.
De oudere man opent de deur verder en voor hij het licht aanknipt, blinken lampjes haar in verschillende kleuren tegemoet op de verder zwarte stuurtafel die zich in een halvemaan om de draaistoel van de machinist vormt. Zijn jongere collega stapt langs haar heen naar binnen. Hij ruikt sterk naar deodorant en haargel. Ze vraagt zich even af of de stekeltjes op zijn hoofd zoveel gel bevatten dat ze door haar huid zouden prikken als ze een hand op zijn hoofd zou leggen. De oudere man laat haar voor en ze loopt naar binnen.
***
‘Dus jullie hebben hiervoor allebei ander werk gedaan?’ De vrouw staat bij de stuurtafel, de oudere man zit op de stoel. De jongere man knikt plechtig vanuit de deuropening terwijl hij zijn hand (ongeschonden, constateert de vrouw) door zijn donkere haar haalt.
‘Ik was nooit van plan om conducteur te worden, maar nu zou ik niet anders willen,’ zegt hij.
Zijn oudere collega knikt instemmend. Hij heeft een ingevallen gezicht dat doorkruist wordt door rimpels. Zijn ogen zijn klein en donker, maar gloeien als kooltjes als hij praat.
‘Ik heb in Joegoslavië gediend en had daar genoeg gezien. Dus ik werd conducteur.’ Hij lacht even om zichzelf. ‘Zoals die reclame? “Opeens heb je het! Je wordt conducteur!” Grinnikend schudt hij zijn hoofd en kijkt naar een punt vlak voor zich in de ruimte, terwijl hij met zijn handen gebaart hoe hij plots wist wat hij wilde. ‘Ik wilde rustiger werk,’ gaat hij verder. ‘Ik wilde niet alleen zijn, maar mensen ontmoeten, op weg helpen en weten wanneer ik naar huis zou gaan.’
Dan ziet ze zijn ogen doffer worden, zoals een beslagen raam met enkel glas na een koude nacht. De vrouw kijkt gefascineerd toe. De conducteur aarzelt even en werpt een blik op zijn collega. ‘Maar ik zou zonder de springers kunnen,’ voegt hij toe. De handen van de oudere man liggen stil in zijn schoot. De vrouw kijkt hem aan, maar zegt niets. Buiten laten klingelende bellen en rode lichten weten dat de trein op een spoorwegovergang af raast. Voor de drie mensen in de cabine daalt de toonhoogte van de bellen abrupt als ze voorbijsnellen. ‘Wist je dat wij naar buiten moeten als dat gebeurt? Om hulp te bieden. Maar meestal is er niet zoveel van iemand over om te helpen.’ Ze zijn alle drie even stil, tot de jonge man zijn duit in het zakje doet:
‘Ik heb dat nooit meegemaakt,’ begint hij, terwijl hij oogcontact probeert te maken met de vrouw. ‘Ik ben wel eens bedreigd met een pistool. Ik denk nu dat het een neppe was, maar toen deed ik het bijna in mijn broek.’
De andere twee kijken hem even meelevend aan, maar de vrouw richt zich in dezelfde beweging weer op de oudere man. De vraag waarmee ze de cabine in liep, brandt al een tijd op haar tong:
‘Heeft iemand het wel eens overleefd?’
De man sluit even zijn ogen voor hij antwoordt.
‘Ja. Ze sprong voor de trein vanaf het perron van een station waar we niet zouden stoppen. Ik stapte uit om te kijken. Ze had geen benen meer, maar ze leefde. Ik heb haar vastgehouden tot de ambulance er was.’
‘Weet je wat er met haar gebeurd is?’
‘Ik heb haar daarna nog gesproken. Ze was blij dat ze nog leefde.’
De vrouw trekt haar spieren in een glimlach en negeert een vreemd soort teleurstelling die de laatste zin opriep.
***
De vrouw stapt uit de trein, zwaait naar de conducteurs en loopt naar het perron waar haar volgende trein zal aankomen. Aan de overkant en op wat bankjes verderop zijn nog meer late stationdwalers, maar hier zijn alleen een oudere man in een dikke zwarte jas die op zijn telefoon rommelt en een jonge meid die naar muziek luistert. Hij houdt zijn telefoon vast alsof hij aan het scrollen is, maar de hoek is raar. De vrouw loopt met het gesprek in haar hoofd berustend richting de rand van het perron. Ze loopt achter het bankje waar de man en het meisje op zitten en haar oog valt op het telefoonscherm van de man. Ze ziet daar de benen van het meisje. Haar rokje is wat omhooggeschoven en haar lange benen, gehuld in een netpanty, steken er onverschillig onderuit. Regels bestaan pas als iemand er wat van zegt. De vrouw ploft zonder aarzelen tussen hen in, leunt naar het meisje.
‘Hij zit stiekem foto’s van je te maken, ga je mee?’ Haar stem is hard en helder en haar adem maakt wolkjes in de koude lucht. Het meisje schrikt zichtbaar, maar knikt en staat gelijk op. De vrouw komt ook overeind, zorgt dat zij zich tussen de man en het meisje bevindt, en begint te lopen – het meisje als vanzelf meenemend. De vrouw kijkt haar aan, glimlacht kort en kijkt weer voor zich. Vanuit het donker bewegen de gele ogen van haar volgende trein snel naar het station toe, terwijl het gieren van de remmen het gebouw vult. De storm in haar hoofd steekt weer op. Het meisje volgt de vrouw die zonder achterom te kijken over de rand van het perron stapt, de trein in.