In haar blik
Ik zit op mijn billen voor een graf. Er liggen twee mensen in: mijn opa (hij ging eerst) en mijn oma. Iemand heeft een klein, stenen beeld tot net boven de sokkel in de aarde begraven die hen bedekt, alleen de twee verstrengelde figuren steken boven de aarde uit. Ik heb het graf net versierd met wat dennenappels en een, naar mijn mening, artistiek geplaatste tak die als een waaier boven de figuurtjes uitsteekt. Het is mijn lievelingsbegraafplaats: ik hou van de hoge bomen, de afbrokkelende grafstenen en ik verdwaal vrolijk minimaal een keer bij elk bezoek. Een warme windvlaag brengt de geur van dennennaalden en vochtige aarde en ik adem hem dankbaar in. Mijn aandacht gaat zoals altijd naar mijn oma’s naam op de kei aan het hoofdeinde van het graf. Terwijl mijn handen met een overgebleven dennenappel spelen, komen met het gemis de vragen weer bij me op en laat ik mijn versie van haar leven in mijn hoofd voorbijkomen, als een film waarvan ik zou willen dat het een herinnering was.
Mijn oma werkte aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Huize Ooievaar, een geboortehuis. Ze was negentien, krulde haar haren (en zou dat altijd blijven doen) en had indringende, blauwe ogen. Haar broer zat verscholen in een hol onder een weiland. Hij was toen vijfentwintig en nog jong en gezond, dus misschien moest hij werken in Duitsland. Misschien zat hij in het verzet. Ik begreep later pas dat het tweede zeldzamer was dan de verhalen deden geloven. Huize Ooievaar, het Ooievaartje, zoals de mensen uit de buurt het noemden, was gevestigd op de Johan Willem Frisostraat in Utrecht-Oost. Om de hoek begint de Graaf Adolfstraat, een kleine straat met een dubieuze naam waar mijn zusje en ik vijftig jaar later opgroeiden. Op een van de weinige foto’s die ik van mijn oma heb is het witte uniform en het kapje te zien dat de verpleegsters droegen. Ik zie voor me hoe ze ’s nachts door de zaal loopt en naar slapende vrouwen en baby’s kijkt. Hoe op een van de kamers een vrouw haar kind ter wereld brengt. Mijn oma praat zacht en helder tegen de barende vrouw. Ze vertelde me eens over de verloskundige die ze meestal pas op het allerlaatste moment mocht halen – pas als het hoofdje van de baby al zichtbaar was. De verloskundige maakte lange dagen en nachten, dus haar slaap was haar dierbaar. Dat maakte mijn oma verantwoordelijk voor alle uren waarin de baby op weg was naar de buitenwereld, maar vooralsnog in limbo verbleef. Misschien dacht ze in dat geboortehuis aan haar eigen familie. Ze was zelf vier toen haar moeder stierf en ze de rouwstoet zag vertrekken met het lichaam. Haar vader bracht haar en haar broer naar het weeshuis en begon een nieuw gezin. Op een van de weinige foto’s die ik van haar broer gezien heb, zaten ze dicht naast elkaar naar de camera te lachen. Achter hen zag je door het riet een stukje van het meer waar ze net in hadden gezwommen. Maar toen de oorlog bijna afgelopen was en mijn oma in het Ooievaartje rondliep, zat haar broer verscholen voor de buitenwereld in een hol onder een weiland en ik heb nooit geweten waarom.
Mijn oma woonde rond de oorlog op verschillende plekken in Utrecht. Vanaf haar vierde groeide ze op in dat weeshuis aan de Nieuwegracht en na de oorlog leefde ze een tijd met mijn opa op een boot tegenover zijn ouderlijk huis aan de Tolsteegsingel. Aan de ene kant van het water stonden grote, goed onderhouden huizen en aan de andere kant was een parkje met een sterrenwacht. Op de daken van een van deze huizen heeft mijn opa zich ooit verscholen achter een schoorsteen, met een radio tussen zijn armen geklemd. Jonge, gezonde mannen zoals hij werden opgepakt om in Duitsland te werken. De radio was verboden, want uit de luidsprekers kwamen de krakerige stemmen die een ander verhaal verkondigden. Als die gevonden werd, had het hele huishouden een probleem en in zijn haast lijkt hij de tegenwoordigheid van geest te hebben gehad het ding mee te nemen. Blijkbaar wist mijn opa dat er mensen onderweg waren om hem op te halen, want hij was naar boven gevlucht en over de daken van de aangrenzende huizen geslopen tot hij bij een schoorsteen kwam waar hij en de radio achter konden schuilen. De soldaten waren ook het dak op gegaan, maar het geluk was aan zijn zij: ze waren omgekeerd vlak voor ze bij hem waren. Soms fiets ik langs de singel en kijk ik naar boven; welke schoorsteen zou hem geholpen hebben in Utrecht te blijven? Het huis op nummer 43 is statig en wit. Mijn blik zwerft van de deur via acht grote ramen naar het dak en in plaats van het rustige fietsverkeer om me heen zie ik een groep soldaten met routineuze slechtheid toegang eisen tot het huis, terwijl boven een jonge man met blond, golvend haar maakt dat hij wegkomt.
Op de dag van de capitulatie van Duitsland ging het in Utrecht op veel plekken mis. Om de hoek bij het Ooievaartje werd een provisorisch arrestatieteam, dat bestond uit studenten, geconfronteerd met vluchtende Duitsers die een kapotte legertruck in de richting van de Emmalaan duwden. De Duitsers openden het vuur en met handgranaten doodden ze negen van de elf jongens. Net buiten de stad wachtte de broer van mijn oma hetzelfde lot. Ondanks de waarschuwing om niet zelfstandig de voormalige bezetter te ontwapenen, kwam hij tevoorschijn en voegde zich bij zijn maten die in de schuur van een boerderij een groep overmeesterde Duitsers bewaakten. Wat ze niet wisten, was dat er in die ruimte een radio met een open verbinding naar een bataljon in Zeist lag. Een groep woedende Duitsers toog naar de boerderij om hun maten te bevrijden. Mijn vader vertelt me dat oma later het lichaam van haar broer nog heeft gezien. In hun gesprekken had ze het telkens over een Panzerfaust: een buis van goedkoop staal met een projectiel aan het uiteinde. Het wegwerpwapen kon eenmalig gebruikt worden als antitankwapen, maar een van de soldaten richtte het op de broer van mijn oma. Volgens mijn vader was hij via de houten steunpilaren van de schuur naar boven geklommen, de spanten in. Het hielp hem niet – de Panzerfaust haalde hem weer naar beneden. Met een gat in zijn buik sleepten ze hem achter hun auto aan. Veel meer weet ik niet van hem, want oma vroeg in onze gesprekken vaak meer dan dat ze vertelde. Deze willekeurige overeenkomst bleef me lang fascineren: haar man en haar broer zijn beiden in gevaar geweest door een radio en ze klommen allebei naar boven. Alleen haar man, mijn opa, zag ze levend terug.
Na de oorlog trouwden ze en woonden ze samen op een boot. Ik weet dat ze altijd als ze naast hem wakker werd controleerde of hij nog ademde. Ik weet dat ze alleen kon slapen als ze de pillen slikte. Ze werd een trotse moeder van twee dochters en een zoontje en liep graag hand in hand met mijn opa. In het verhaal in mijn hoofd had ze eindelijk een familie gevonden die haar niet alleen achterliet, zoals haar moeder, haar vader en haar broer. Toch leek er altijd als ik aan haar leven dacht iets te ontbreken. Ik kon haar niet helemaal vinden. Ik weet dat mijn tante de warmte van een arm om haar schouder miste. Mijn oma wist altijd wie wat deed en waar ze dat aan het doen waren, waar ze heen gingen en vooral wanneer ze weer terugkwamen – dat was belangrijk. Ze zei het niet met zoveel woorden, maar het voelde als liefde. Mijn oma hield je in haar blik, niet haar armen. Op een dag sloeg ik mijn armen maar om mijn oma heen. Ik was toen klein, maar zij inmiddels ook en we hielden elkaar even in een zachte omhelzing.
Later, toen mijn oma in de tachtig was, fietste ik zo nu en dan naar haar toe. Nadat opa stierf, vroeg ik oma wel eens hoe het met haar ging. Soms huilde ze dan even, omdat ze aan opa dacht. Haar blauwe ogen gaven dan bijna licht door die tranen heen en ze keek me aan vanuit de bruine draaistoel bij het raam (zodat ze haar benen kon bruinen in de zon) en knipperde niet met haar ogen. Ze zei niet veel, maar ik wist zeker dat ze me iets vertelde en ik luisterde uit alle macht.
Nog later, toen mijn oma warrig werd en in een tehuis zat, nam ik weer eens afscheid. Zij vergat dat meteen en liep met haar rollator weg van mij. Ze stopte plots en draaide terug. ‘Och, ik zeg toch wel gedag!’ Ze liet de hendels los en sloeg haar armen om mij heen. Ze sloeg haar armen om mij heen. In dat tehuis vond ik haar ook een keer in haar stoel voor het raam. Ze was jarig die dag. Met haar elleboog steunde ze op de tafel voor haar. Ze zat met de kin in haar hand en de ogen gesloten, haar gezicht verwelkomde de zon. Ik kon zien hoe ze de warmte in zich opnam; in haar eigen hoofd, haar eigen wereld, was het warm en rustig. Misschien zat ze wel lachend naast haar broer in de zon nadat ze samen gezwommen hadden, zoals op die ene foto. Ik liep geluidloos naar haar toe en knielde voor de stoel. Ik keek een tijdje naar haar. Ik keek totdat de vragen die altijd door mij heen fladderen verstilden en plaatsmaakten voor mijn oma. Toen ik haar aansprak, opende ze blij verrast haar ogen en zei mijn naam. ‘Gefeliciteerd oma,’ antwoordde ik. ‘Ga je mee taart eten? Ze zitten allemaal voor je klaar beneden.’
Nadat opa stierf, vroeg ik oma wel eens hoe haar leven was gegaan.
Bijna altijd zei ze: ‘Ik had geluk hoor. Ik heb nooit echt iets gehad.’