De wandeling
Het kleine meisje in mijn hoofd komt naast me zitten. Ik lig nog innig verstrengeld met mijn dekens, niet helemaal zeker van mijn positie in het bed. Voor de zekerheid draai ik me niet om, al is de val niet diep. Ik laat mijn blote voeten straks wel uitzoeken hoe koud de vloer precies is.
Het meisje legt een hand op het stukje hoofd dat nog zichtbaar is. Fris en koel – ik denk dat ze al buiten is geweest. Ze wil graag dat ik meega om naar de bomen te kijken voor ze hun bladeren loslaten. Het gaat snel nu. De zon is nog niet lang op en er hangt nog mist, vertelt ze. Het ruikt zo lekker. De koude lucht tintelt op je huid en je kan zien dat je ademt.
Het iets grotere meisje, dat ik nu ben, ligt comfortabel. Het is vroeg en ze hoeft nergens heen. Het bed is warm, daarbuiten is het koud. Half bewusteloos nog draait ze zich toch om – de vloer blijkt inderdaad koud. Dit weten niet alleen haar voeten, maar ook haar gezicht is nu op de hoogte. Toch maar eruit.
Het oudste meisje zit met opgetrokken knieën op de bureaustoel naar de andere twee te kijken. Ze drinkt de scene in en glimlacht. Gesterkt staat ze op en volgt de andere twee naar buiten – het kleine meisje dat enthousiast de geeuwende grotere bij de hand meetrekt. Onderweg rent de kleine op een hond af om die te aaien, maar schrikt terug als die blaft. Ze verbergt zich achter de lachende ander tot de kust veilig is.
In het bos wordt de slaapkop eindelijk een beetje wakker. In stilte geniet ze van de geuren en geluiden, de ochtendzon die spinnenwebben verandert van een lugubere hinderlaag naar weefsels van licht. Ze wordt gadegeslagen door de oudste, die de verwondering en waardering opnieuw voelt tintelen. Haar ademhaling wordt rustiger.
De kleinste komt voorzichtig teruglopen, vol schrammen en ondertussen net zo groen en bruin als haar omgeving. Nieuwsgierig en zich afvragend waarom de aandacht niet meer bij haar is, volgt ze de blik. Haar ogen worden groot als ze het spinnenweb ziet. Stilletjes komt ze naast haar staan en pakt haar hand. Zo kijken we samen, met dezelfde ogen. Achter ons strijkt een vrouw haar grijze haren achter een oor. Ze ademt nog een keer diep in en kijkt de wolk na die haar laatste adem maakte.