Hoofdstuk 8

Muriël Lindeijer

Vuur. Als Dier was ik niet heel bekend met vuur groter dan vlammen in een lantaarn of onder een kookpot, dansend tussen een kring van stenen die ze in toom moesten houden. Slechts een keer eerder had ik vlammen gezien waar ik mijn hoofd voor in mijn nek moest leggen om ze te kunnen zien. Ik liep alleen door het bos. Het eerste wat opviel was de stilte. Geen kwetterende vogels of roepende herten, geen snelle beweging van muizen in de bladeren. De zon scheen en de lucht vouwde zich als een warme deken om me heen – zelfs in de schaduw. Twintig stappen verder zag ik heuvelopwaarts vlammen. Op dat moment hoorde ik weer iets: een zacht, tevreden gebrom en een complete afwezigheid van bang geschreeuw. En omdat niets om mij heen bang was, verdampte mijn eerste neiging om te vluchten en bleef ik staren naar de vlammen die ver van mij vandaan – maar niet per se ver genoeg – de lucht in waaierden en klaarblijkelijk niet van plan waren mijn wandeling te verstoren. Het voelde toen al als een droom en ik heb me daarna nog wel eens afgevraagd of ik het me verbeeld had.

Dus toen ik hoog in het houten huis de vlammen rook, was ik niet gelijk ontmoedigd, maar duwde ik de deur zo dramatisch als ik durfde wagenwijd open. Een wirwar van schaduwen en licht kwam me tegemoet. Skadwa stond in diens eigen oranje gloed over een gedaante gebogen die weg probeerde te kruipen, terwijl Weermoed gespannen vanuit de raamopening toekeek, haar zachte vleugels en opgeheven hoofd afgetekend tegen het vroege zonlicht. In haar schaduw zag ik iets groens, maar voordat ik goed kon kijken, draaiden alle hoofden mijn kant op. De gedaante op de grond zag zijn kans schoon en kroop zo snel hij kon richting het tweede raam, tegenover dat van Weermoed. Skadwa’s oor bewoog als vanzelf richting het geluid.

‘Ik dacht het niet,’ gromde die. Met een slag van diens vleugels had die de gedaante ingehaald. De gedaante gooide zijn armen voor zijn gezicht en kromp in elkaar, maar voor Skadwa een vinger uit kon steken, schoot een hulstgroene streep uit Weermoeds schaduw. Skado stond voor Skadwa, met de rug naar de gedaante op de grond. Omdat ik nog steeds geen idee had wat er gebeurde, nam ik een voorbeeld aan Weermoed. Ik verroerde geen vin. Vanuit de deuropening zag ik Skado’s groene ogen, hard en mistig als zeeglas, en zijn kleine figuur stond onbeweeglijk tegenover de grotere gedaante van Skadwa, die een spoor van verkoolde vloerplanken achterliet waar vlammetjes uit groeiden. Verblind door het vuur in zijn ogen hief Skadwa diens hand in de richting van de onbekende op de grond.

‘Wacht!’ Weermoed schreeuwde vanuit het raam. ‘Wed!’ Met tranen in haar ogen kwam ze eindelijk in beweging en stapte uit de houten rechthoek die haar als een schilderij buiten de gebeurtenissen had gehouden. Ze wierp een snelle blik op mij. Ondanks haar tranen, keek ze me doordringend aan, alsof we samen een plan hadden en ze me een teken gaf. ‘Wed, dwaas! Waarom slaap je in een nachtmerrie van een huis? Dan vraag je om demonen!’ Ze gebaarde naar Skado en Skadwa, brand en een bos in de nacht – gevaarlijk. Skadwa gromde en Skado’s gezicht vertrok alsof hij pijn had, maar ze luisterden. Weermoed ging verder: ‘Ik vertelde je dat je niet hoefde te vallen om te vliegen, ik draag je met liefde. Stop met de rand opzoeken, alsjeblieft.’

Je hoeft niet te vallen om te vliegen… Ik dacht aan de brief die ik van Weermoed had gestolen. De brief die mijn nieuwsgierigheid had gevoed als suiker voor de mieren. Je hoeft niet te vallen.

‘Weermoed,’ zei Wed. Hij hoestte. De rook van het vuur dat hem inmiddels bijna omringde belemmerde zijn woorden. ‘Ik heb ze nodig zodat ik met je mee kan vliegen.’ Skadwa wierp een veelbetekenende blik naar Skado, zie je wel? leken zijn ogen te zeggen. Maar Skado straalde dezelfde boodschap uit.

Ik voelde me ondertussen redelijk overbodig en mijn entree als held was veranderd in een rol als publiek of figurant. Dier de dief, onopgemerkt en snel vergeten. Ik stapte naar binnen en wilde mijn vleugels voorzichtig door de deuropening manoeuvreren, maar ze waren weg. Ik voelde me opeens een beetje leeg en een randje van angst vormde zich om mijn heldhaftige voornemens – maar dat kon ook het huis zijn. Ik wist ook niet wie er gered moest worden. Wed, de dief? Of de bewaarder van een belangrijk geheim? Ik was een dief, maar kende ook de waarde van een geheim.

Waar hadden ze het eigenlijk over?

‘Skadwa, hij zoekt geen geheimen – ’ Skado werd onderbroken door Skadwa.

‘Dit,’ en Skadwa sloeg met diens vleugels, sissend en warm, ‘is geen gereedschap. Dit is wat er overblijft.’

Wed keek op met een opstandige blik in zijn ogen. ‘Zijn we alleen goed genoeg om keer op keer te vallen? Om langzaam te gaan?’ Skadwa’s ogen flitsten. ‘Ja,’ gromde die en greep Wed bij zijn nek. Voor een van ons kon reageren, was Skadwa bij het raam en vloog het dak op, Wed met zich meeslepend.

Weermoed dook erachteraan en ik keerde me naar Skado. ‘Is het echt zo erg dat Wed wil vliegen?’ vroeg ik.

‘Wij zijn de Schaduwen. We zoeken niet naar wie we zijn, we weten het. Net als jij. Skadwa gelooft dat iemand als Wed nooit zal stoppen zichzelf te veranderen en te zoeken op plekken waar hij niet is. Je schaduw is altijd bij je, denkt hen.’ Skado was even stil en luisterde met een scheef hoofd naar de commotie op het dak. Ik vroeg me ondertussen af wat willen vliegen met jezelf zoeken te maken had. ‘Ik denk dat er geen geheim is om te bewaren,’ voegde Skado toe. Hij keek even naar mij en naast mij, maar zei verder niets.

Ik luisterde weer naar Skado zonder hem echt te begrijpen, terwijl de vlammen ons uit het raam dreven, naar het trio op het dak. Hoe kon iemand zichzelf niet kennen? Ze leken elkáár zelfs allemaal te kennen. Een kleine irritatie bij Skado, alsof hij de tirade van Skadwa eindeloos vaak had gehoord. Berustende zenuwen bij Weermoed. Ze had er ook vaker naar moeten luisteren en leek te weten hoe gevaarlijk Skadwa kon zijn. Dit was niet hun eerste ontmoeting. Ik dacht aan de stekelige steen en mijn twee vleugels terwijl ik behendig het dak op klom. Was dat wat Wed zocht?

We vonden Skadwa en Wed bij de rand van het dak. Weermoed was nergens te bekennen. ‘Spring dan,’ zei Skadwa tegen Wed, die geen kant op kon. ‘Iedereen heeft toch recht op wat wij zijn? Kan jij vliegen omdat je het verdient? Laat het me maar zien.’

Woestbange tranen rolden in stilte langs Weds wangen naar beneden. Hij schudde zijn hoofd.

‘Of spring jij?’ Skadwa keek me opeens recht aan terwijl ik net over de dakrand naar boven klauterde met inmiddels het nadrukkelijke doel toeschouwer te blijven. Zonder zijn blik van mij af te wenden, zei hij: ‘Skado, oude vriend, je volgzame huisdier heeft ook wat te bewijzen.’

Je volgzame huisdier? Dier, ja, maar VOLGZAAM? Het is dat ik flink bang was door het huis en Skadwa’s vuur, maar anders had ik zeker iets van hem gestolen als hij niet keek en minder licht ontvlambaar was.

Skado keek eerst boos, maar na een blik op mijn verontwaardigde gezicht veranderde dat in een grijns. ‘Je had gelijk Dier,’ zei hij, ‘je bent geen prooi waar je mee speelt voor je haar de schaduw in sleept.’

Zijn hand bewoog even en ik zag de stekelige steen in zijn zak verdwijnen. Hij ging vlak bij Wed en Skadwa staan. ‘Kom, Dier. Kom thuis.’ De laatste twee woorden waren zacht en vroegen om mijn vertrouwen. Voor het eerst in mijn leven gaf ik het. Ik gaf het zonder nadenken aan degene die mij had durven laten vliegen.

Ik liep naar de rand van het dak, langs het groepje en stootte eerst Skado en toen Wed aan, zonder twijfel dat dit geïnterpreteerd zou worden als kleinzerig wraak. ‘Volgzaam,’ gromde ik theatraal, terwijl de steen van eigenaar verwisselde.

‘Je zou het anders kunnen noemen.’ opperde Skado. Skadwa keek geamuseerd en gerustgesteld van Skado naar mij. Skado stond nog steeds aan diens kant, zag die. Ik keek over de rand naar beneden. Een haas schoot weg tussen de bomen.

Als een bliksemschicht door de vleugel van een oude vrouw verspreidde een idee zich door mijn lichaam heen – een keuze. Ik wist wat ik zou doen.

Een haas schoot weg tussen de bomen. De vlammen proefden eindelijk van de dakspanten, maar Skado’s ogen schoten geen vuur en zijn mondhoeken krulden op alsof hij eindelijk, eindelijk de lang verborgen grap had begrepen en met twee korte stappen stond hij voor me en duwde me achterover het dak af. Dit keer keken twee sardonische ogen me na – hij twijfelde niet, vroeg zich niet voorzichtig af wat ik was en wat ik zou doen. We wisten het allebei al.

Met een schok in mijn buik tuimelde ik achterover, verbrak het oogcontact en viel met hart en ziel. Vallen, vallen. Al vallend was het eindelijk stil in mij. Mijn wereld was de val.

Nu we in het luchtledige hangen en de tijd van mij is, herinner ik je graag aan een van de eerste dingen die ik je verteld heb tijdens mijn ontmoeting met Weermoed: ik hou van vallen en vallen is niet vliegen.

Na één hartslag koos ik de landing – al wist ik nu dat ik mijn vleugels kon laten verschijnen als ik dat wilde. Voor ik de grond zou raken, zag ik Wed vallen met iets in zijn hand geklemd. Hij viel, maar in die vreemd vertraagde tijd zag ik het ochtendlicht op twee vleugels schijnen die leken te bestaan uit de allerdunste doorsnede van een boomstam – ik kon de jaarringen tellen.

Ik lachte en verdween in de Schaduw van mijn Huis – ik kwam thuis.’

Ik stop met schrijven en schud mijn hand om de kramp weg te laten stromen. Ik heb nieuwe kaarsen aangestoken. In het flakkerende licht lees ik terug wat ik heb geschreven: een verhaal voor jullie, zodat we niet vergeten. Een verhaal voor rond het vuur, zodat jullie lachen, huiveren en weten. Een verhaal dat je kan vertrouwen, dat jou zal dragen op de wind van je eigen ik en eigen wij. Geloof me, ik ben de dief die mijn eigen vleugels stal en een geheim bewaarde door het te delen met iedereen en overal.

17