Hoofdstuk 5

Wouter Ebben

We stegen in hoog tempo boven de bomen uit. Skado gaf een kneepje. “Waarheen?”

“Eh…” Ik wees in een willekeurige richting, gedesoriënteerd en minder zeker van mijn zaak dan ik liet zien. Dacht ik. Skado grinnikte kort.

“Daar gaan we!”

Vliegen met Skado was absoluut niet te vergelijken met Weermoed. Waar Weermoeds vleugels langs me heen zwiepten en ik kon voelen hoe hard haar spieren werkten om door de lucht te snijden en in te spelen op warme en koude luchtstromen, leek het alsof de lucht voor Skado niet bestond. Hij vloog als een windvlaag. Ik werd vrij direct misselijk. Mijn maag kriebelde zoals in een enthousiaste lift. Skado had me niet echt vast en tot dan toe nog niet losgelaten. De zon scheen en ik kon onze schaduwen over de grond zien glijden – één gevleugelde gedaante en een bungelend aanhangsel. Onder ons dansten de boomtoppen hun kabbelende dans. Er was weinig tijd verstreken toen er steeds meer steen tussen de bomen zichtbaar werd. Huizen en bomen; een bos en een stad op één plek – mijn thuis.

Lang geleden was de stad samengekomen met het woud. Dit was in een tijd dat er zo weinig bewoners waren dat de bomen, struiken en vele, vele klimplanten een bezoek brachten, hun wortels rekten en besloten te blijven.

Langzaamaan had de stad zich weer gevuld met een gemeenschap, maar het was bij lange na niet de krioelende massa die het eens was. Sommige bewoners besloten van de bomen hun huis te maken, anderen betrokken de gebouwen die nog stonden. Er hoefde niet veel aangepast te worden, dat hadden de bewoners in de loop der tijd zelf gedaan. Aanpassen. Ze hadden de wereld aangetrokken in plaats van de wereld op maat proberen te maken.

Ik wist daar toen nog niet zoveel van, dit was mijn thuis en mijn territorium. Verleden en toekomst waren niet mijn wereld. Ik zag geen stad, maar een verzameling doelwitten. Een markt was een goudmijn. Een rustige straat een risico. Vanuit de lucht, bungelend aan Skado, bracht ik de boel in kaart. Zakkenrollen, inbrekers, iets van een toonbank graaien. Grissen. Jatten, gappen. Snaaien. Voor mij waren de namen van de stegen en straten, de pleinen en stations gelijk aan mijn diefachtige praktijken daar.

 Skado zakte een stuk en mijn maag bleef weer achter. Toen ik mijn ogen weer opende – ik had ze dichtgeknepen, want als je de grond niet ziet, kan je er ook niet in duizenden stukjes op te pletter vallen – zag ik iets wat me een steek in mijn buik bezorgde. Een huis van hout. Het enige huis in de boomstad dat geen steen bevatte en geen levende boom. Ik duwde de herinneringen vol hangmatten, muziek en kampvuren snel naar beneden. Niet nu. Niet terwijl ik in de ochtendzon met een legende op avontuur was.

Het houten huis daar benden was het huis waar ik dier werd. Mijn familie waar ik zo boos op was en zo blij van werd, zoals dat gaat met families, was als een van de eerste teruggekeerd en wilde een eigen huis bouwen. Alle oude houten huizen waren verrot en onbetrouwbaar, dus was men in de stenen huizen (of bomen) getrokken en begonnen dit huis te bouwen. Gewoon, om iets nieuws te maken. Al gauw kwam de familie erachter dat dit het enige houten huis zou worden. De bomen lieten zich namelijk niet meer zo makkelijk vangen. De bossen waren vroeger zo grondig gekapt dat ze ervan hadden geleerd. Leren samenwerken. Bij het kappen van de bomen voor het huis waren sporen van paddenstoelen vrijgekomen die als ingeademd werden een diepe angst veroorzaakten en iets geks deden met het geheugen. Het werkte razendsnel. Na genoeg bomen voor een klein huis gekapt te hebben, waarbij werker na werker op de vlucht sloeg, begreep de familie de connectie tussen de bomen en de sporen. Hoe ouder de bomen, hoe minder werkzaam de sporen. Mijn familie dacht dat de houten muren en steunpilaren geen kwaad meer konden, de bomen waren immers dood. Dat onze nachtmerries iets waren wat kinderen nou eenmaal hadden en dat we het liefst buiten leefden – dat was alleen mooi meegenomen. Dat ze zelf binnenbleven en zich afsloten, leek normaal.

Skado vloog naar het huis en mijn hart sloeg zo, zo snel. “Skado, niet daarheen…” Ik zag Weermoed rond het huis sluipen. In tranen spartelde ik tegen Skado’s grip die me thuisbracht. Hij was stil, terwijl ik smeekte: “Alsjeblieft, niet daar. Dat is geen avontuur, niet daar!” Ik gaf met al mijn kracht en angst een laatste ruk. Skado verloor zijn grip op mij en grabbelde wild in het luchtledige naar iets om vast te houden. Ik viel opgelucht naar beneden.

Ik viel, terwijl ik in Skado’s geschrokken ogen keek. In de daaropvolgende momenten die voorbijflitsten, liep mijn opluchting over in paniek die ik weerspiegeld zag in Skado’s ogen. Kleine Skado – die zijn hand ophield. Tussen zijn vingers hield hij de stekelige steen geklemd. Terwijl mijn kleren als een razende om mij heen flapperden, voelde ik weer die sensatie van duizend naaldenprikjes. Overal, behalve op mijn rug. De steen, mijn veranderende schaduw, Skado, alles klikte vlak boven de grond en ik gooide mijn armen uit. Precies gelijk met die beweging voelde ik de spieren in mijn rug werken en hoorde ik een enkele, krachtige slag van vleugels. Ik draaide als een stuntartiest in een veiligheidstuig, hing even boven de grond en landde zachtjes op mijn twee voeten.

Er was geen tijd om na te denken. Zodra ik landde, gebeurde alles tegelijk. Skado verscheen naast me. Hij keek niet naar mij, zijn blik was alert en gefocust op de schaduwen tussen de bomen. In de verte zag ik Weermoed bij het huis omkijken naar de commotie. Als laatste, met gevoel voor dramatische timing, trad Skadwa vanuit de bomen naar voren.’

Ik haal mijn pen van het papier. Een kleine rilling trekt over mijn rug en laat mijn Schaduwvleugels wiegen. Skadwa. Ik weet nog dat Skado mij vreemde vragen stelde over vlammen en schaduwen. Dit zei hij over Skadwa:

‘In een kamer met enkel een kaars
behoort elke schaduw
tot die ene kleine vlam.

Dooft de kaars, dan stopt de dans
van gestalten op de muur.

Skadwa is dat verdwenen vuur.’

Ik staar in het licht van mijn kaarsen en niet, echt niet, in de schaduwen om mij heen.

14